Home » Nieuws » De Case van Co: Is waterstof de oplossing voor onze vooroorlogse wijken?

De Case van Co: Is waterstof de oplossing voor onze vooroorlogse wijken?

06 april 2021

In Nederland staan ongeveer 1,5 miljoen woningen die dateren van voor de Tweede Wereldoorlog. Ongeveer 950.000 daarvan zijn koopwoningen. De overige 550.000 zijn huurwoningen, te verdelen over 200.000 van woningcorporaties en 350.000 van overige (private) verhuurders. Aangenomen mag worden dat veel van die woningen nog een matig of slechte energieprestatie hebben (label F-G). Dat is ook niet heel erg verwonderlijk. Vooroorlogse woningen zijn héél moeilijk goed te isoleren. In de meeste gevallen is in die tijd niet gebouwd met een spouwmuur die gevuld kan worden met isolatiemateriaal. Als bij gebouwen uit die tijd al een keer wel een spouw aanwezig is, dan is die spouw veel te smal om na het vullen met isolatiemateriaal – als dat technisch al mogelijk zou zijn - zoden aan de dijk te zetten voor de energiebesparing.

Isoleren van vooroorlogse woningen

Isoleren van de buitengevels moet dan ofwel aan de binnenzijde ofwel aan de buitenzijde. De buitenzijde is dan technisch de beste oplossing, maar onbetaalbaar. Aan isoleren vanuit de binnenzijde kleven technische risico’s en het kost bovendien een deel van de woonruimte. Niet zelden is een deel van glas in de kozijnen van dat type woningen nog uitgevoerd in glas-in-lood. Dat element wil je graag behouden en bovendien mag je daar niet altijd zomaar iets aan veranderd. HR++ of triple glas kun je dan wel vergeten voor die ramen.

Lage temperatuurverwarming

Zelfs na het treffen van alle redelijkerwijs te verlangen maatregelen, zal een groot deel van de vooroorlogse woningvoorraad ook daarna niet geschikt zijn voor een lage temperatuur verwarming. Dat wil zeggen verwarming met een watertemperatuur in het verwarmingssysteem van 55 graden. Daar waar warmtenetten aanwezig zijn of worden aangelegd, zal de watertemperatuur in die netten dus nog hoger moeten zijn om de transportverliezen op te vangen. Het is de vraag of warmteleveranciers die hogere temperaturen op termijn kunnen blijven leveren als ook zij gebruik moeten maken van (schaarse) duurzame warmtebronnen. Bij vooroorlogse woningen gaat het meestal het om relatief kleine woningen. Een compacte warmtepomp van geringe afmeting is bij de huidige stand van de techniek (nog) niet in staat water te leveren van een voldoende hoge temperatuur om de woning op koude dagen warm te kunnen houden.

Waterstof

Is waterstof dan een oplossing voor die woningen? Nederland heeft een fijnmazig aardgasnetwerk. De leidingen van dat netwerkt zijn in beginsel geschikt om ook waterstof te kunnen transporteren. Waterstof heeft wel een veel hogere vlamtemperatuur en verbrandingssnelheid dan aardgas. De brander van onze huidige CV-ketel kan daar echter in de meeste gevallen eenvoudig op worden aangepast. Waterstof heeft een aantal voordelen ten opzichte van aardgas. Het belangrijkste voordeel voor het milieu is dat er bij verbranding van waterstofgas slechts alleen onschadelijk waterdamp vrijkomt. Er is nog een ander voordeel. Waterstof kun je in tegenstelling tot elektriciteit opslaan, bijvoorbeeld in tanks. Op dagen dat er een overschot is aan stroom kun je dat natuurlijk opslaan in accu’s. Dat is echter maar heel beperkt mogelijk. Een andere mogelijkheid is om het overschot om te zetten in waterstof en die waterstof op te slaan als buffer voor als het echt nodig is. Het is zelfs al mogelijk waterstof op te slaan als poeder. Waarom doen we dat dan niet gewoon?

Industrie

Waterstof heeft ook een heel groot nadeel. Het komt niet van nature voor. Het moet dus gemaakt worden. De productie van waterstof gaat nog niet heel efficiënt. Bij het maken van waterstof wordt heel veel elektriciteit gebruikt. Bij de productie gaat ook nog eens 20-40% energie verloren. In veel industriële productieprocessen worden grote hoeveelheden waterstof gebruikt omdat de benodigde temperaturen bijvoorbeeld met elektriciteit domweg niet bereikt kunnen worden. Voor de verduurzaming van dat soort processen is dus domweg géén ander alternatief dan het gebruik van groene waterstof. Huishoudens hebben dus een geduchte concurrent aan de industrie als het gaat om wie de waterstof krijgt.

Om een indicatie te geven: Al onze windmolens op zee produceren nog niet genoeg groene stroom om 25% van de industrie te voorzien van duurzaam gemaakte groene waterstof. Met dezelfde hoeveelheid stroom kunnen alle Nederlandse huishoudens worden voorzien van stroom. De meeste voor de industrie benodigde waterstof wordt op dit moment overigens nog gemaakt met elektriciteit die is opgewekt door de verbranding van aardgas. En daarmee zijn we dus terug bij af. De CO2 uitstoot treedt dan immers al op bij de productie van de waterstof.

Moeilijke huizen

De productie van groene waterstof zal dus vooral ten behoeve van de industrie worden opgeschaald. Huishoudens zijn pas veel later aan de beurt en zullen dus vooral moeten uitzien naar andere alternatieven om het huis warm te houden. Voor ‘moeilijke’ huizen/wijken zullen we nog even geduld moeten hebben als we denken aan waterstof als alternatief voor aardgas. Gelukkig worstelen gemeenten op dit moment bij het opstellen van hun warmteplannen met dezelfde problematiek. Ik sluit dus niet uit dat de oplossing voor wijken waar veel van die vooroorlogse huizen staan wordt doorgeschoven tot na 2030. Laten we hopen dat de productie van waterstof tegen die tijd wel efficiënt kan en ook een betaalbaar alternatief is voor de eigenaren van ‘moeilijke’ huizen.